blog/De Proefkonijnen

Velkommen til mit grot

Toen ik in Denemarken studeerde, volgde ik les bij ene professor Johansson. Meer bepaald het vak “Waanzin in de literatuur”. Dat stond niet alleen leuk in mijn agenda (Dond, 14.00: MADNESS) het was ook een interessante leeslijst, met mooie boeken van Sylvia Plath en Michel Foucault. Vanaf de eerste les werd duidelijk dat de professor zelf iets slightly mad over zich had. Niet op de schuimbekkende, dwangbuizerige manier, maar op de manier dat je even naar je buurvrouw gluurt om te kijken of zij ook aan het fronsen is.

Johansson was het prototype van de verstrooide, ietwat verwaarloosde professor. Dikke brilglazen, rommelig boekentasje, permanent droge mond. Zijn colleges waren een aaneenschakeling van losse observaties en verwijzingen naar obscure publicaties. Hij leek regelmatig te vergeten dat hij voor de klas stond: dan liet hij zijn stem zakken tot een onhoorbaar mompelniveau, stopte uiteindelijk volledig met praten en ging aan zijn tafel zitten om minutenlang in zijn papieren te bladeren, ongevoelig voor ons geschuifel en gekuch. Zijn wilde aantekeningen op het bord waren minstens drietalig en volledig onleesbaar: “Harry Potter, pijltje, iets over Turken, drie puntjes, en ik denk dat dat laatste een paginanummer is. Of een boos gezichtje”.

Bovendien wist hij amper wie hij in de les had zitten. Elke week bleek dat tien kopies te weinig waren voor een klasje van achttien studenten, en elke week leek hem dat oprecht te verbazen. Bij het nakijken van de afwezigheidslijst – een routineklus die hij altijd halverwege beu werd en in de steek liet – heette hij meer dan eens verrukt een student welkom met de woorden “Ha! Goed dat je er eindelijk weer bent, ik dacht al dat je gestopt was”. Waarop de doodbrave Koreaan: “Maar…ik heb nog nooit een les gemist, meneer”. “Oh. Hm”. Helemaal leuk werd het als hij willekeurige opdrachten begon uit te delen. Dat ging ongeveer zo:

- “Thom!”

- “Thom zit daar, ik heet…”

- “Oscar Wilde!”

- …

- “Vind jij Oscar Wilde goed?”

- “Euh, ik weet niet”.

- “Heb jij een probleem met Oscar Wilde, misschien?”

- “Nee nee, ik ken gewoon…”

- “Prima. Volgende week wil ik een presentatie over hem horen”.

Van die presentaties kwam natuurlijk nooit iets in huis, hij vergat ze zodra hij het lokaal buitenstapte. Dat die vergeetachtigheid wel erg ver ging werd ons duidelijk op de dag dat Johansson lijkbleek opdaagde, asgrauw en actief bloedend uit zijn linkeroor. Hij repte er met geen woord over. De week erna, het bloed nu geronnen en al bruinkleurig op de kraag van zijn hemd, nog steeds niet. Toen hij ons vroeg een schrijfopdracht in zijn postvakje te deponeren (“Mmyesss, just put in, hm, yes, in my pigeon hole”) fluisterde mijn Canadese buurmeisje niet onterecht ”I… am going nowhere near his pigeon hole”.

Toen kwam de dag dat ik bij hem op kantoor langs moest. Hij moest het onderwerp van mijn eindexamenessay goedkeuren. Ik keek er enorm tegenop. Zijn haar zou weer vet tegen zijn hoofd kleven, hij zou weer vanalles mompelen dat ik niet begreep, zinnen niet afmaken en mij wegsturen zonder dat ik wist wat hij verwachtte. Eens geklopt en binnengestapt bleek “kantoor” niet het juiste woord. Zijn bureautje was niets minder dan een leesgrot. Nu had ik als kind ook wel een knus leesplekje, dan kroop ik met een leeslampje in de kleerkast en trok de deur achter me toe. Maar dit was van een heel andere orde. Er was geen vierkante centimeter van de muren meer te zien. De ongelijke boekenstapels – dikke ingebonden kanjers bovenop een stapeltje losse papieren en drie dunne exemplaartjes - reikten zo hoog dat ze via het plafond naar elkaar toegroeiden. De weg naar zijn volledig ondergesneeuwde bureau was herleid tot een smal kronkelpaadje. Het enige licht dat binnenviel kwam van de dunne spleet onder de deur. Ok, vandaar dus de eeuwig muffe geur, het bleke vel en het chaotische lesplan.

Johansson keurde mijn onderwerp (de invloed van Ted Hughes op zijn tragische echtgenote, mevrouw Plath) goed en begon een aantal titels op te sommen – mét publicatiejaar – die me wel verder zouden kunnen helpen. Voor ik ze genoteerd had, wist hij ze feilloos en razendsnel uit zijn grotwand te peuteren. In het donker. Er zat verdorie een logica in dit design. Plots kreeg zijn madness ook wel iets geniaals. Toen ik weer op de helverlichte en kraaknette gang stond, vroeg ik me even af of ik net gehallucineerd had dan wel bloedde uit mijn oor. Maar alles was nog net hetzelfde als ervoor. Of toch bijna alles.

2 Antwoorden op “Velkommen til mit grot”

  1. Thomas Roose Zegt:

    mooi!

  2. pooh Zegt:

    mooi cursiefje

Reageer